Clafoutis

Clafoutis

  • zak abrikozen (ongeveer 3 ons), perziken of ander fruit
  • 125 gram bloem
  • beetje zout
  • 3 eieren
  • 1,5 dl melk
  • 3 eetlepels suiker
  • beetje poedersuiker

Schil het fruit en snij het door midden. Verwijder de pit. Leg het in een ovenschaal die je met een beetje boter hebt ingevet.

Zeef het bloem met het zout in een kom. Roer er (met een houten lepel) een voor een de eieren door.

Doe de melk en de suiker erbij en roer stevig door, want er mogen geen klontjes in het deeg ontstaan.

Schenk dan het eimengsel over het fruit en zet de schaal in een voorverwarmde oven (225 graden).

Bak de clafoutis (spreek uit: kla-voe-tie) ongeveer 40 minuten. Steek er een cocktailprikkertje (of vork) in om te kijken of hij klaar is: als het stokje er droog uitkomt, is de clafoutis klaar.

Direct nadat je de clafoutis uit de oven hebt gehaald, strooi je er de poedersuiker overheen. Eet lauw of koud als toetje.

Clafoutis hoort van kersen te worden gemaakt, die je niet vooraf ontpit. Maar dat maakt het eten wel lastig. Of leuk: pitten spugen en wie het verst kan, hoeft niet af te wassen.

Dit recept is een bewerking van het recept van Onno Kleyn uit De Volkskeuken (pagina 306).

Klassieker: De eerste taarten waren niks meer dan dikke pannenkoeken, die in een diepe koekenpan met of zonder deksel werden gebakken. In Nederland heetten dit soort taarten ‘vlade’, en dat doet denken aan de Limburgse vlaai die nog steeds worden gegeten. In Frankrijk waren vergelijkbare recepten bekend, zoals het oude nagerecht clafoutis bewijst.

De ouderwetse kersentaart komt uit de streek Limousin. De naam is afgeleid van het Occitaanse werkwoord clafir, wat ‘vullen’ betekent: de schaal vol romig deeg wordt opgevuld met kersen.
Wordt er ander fruit gebruikt dan kersen, dan heet het gerecht ‘flognarde’, dat weer verwijst naar de Britse ‘flan’. Larousse schrijft in zijn kookboek dat kersen met pit moeten worden gebruikt, dat zou een betere smaak geven.